Recensie: God onder de mensen

Op de vraag naar God zijn in de loop van de eeuwen allerlei antwoorden bedacht. Sommigen zien God als een kosmisch wezen. Een persoon. Anderen kunnen daar niets mee en ervaren God als natuur, energie of liefde. Wie zal het zeggen? Misschien is God wel een ander woord voor het Leven zelf? Of staat ‘God’ voor de roepstem van het mogelijke te midden van onmogelijkheden, zoals ik eens las? Carel ter Linden zei in een interview in Trouw (22 mei 2021): “God is dat wat ons mensen heilig zou moeten zijn.” Ook mooi, hoewel ik niet zo van het ‘moeten’ ben.

Joan Osborne zong in 1995 “What if God was one of us?” En daarmee voegt ze een interessant perspectief toe: “Just a slob like one of us, just a stranger on the bus trying to make His way home?” De forenzende God van Osborne zou zomaar kunnen opduiken in de nieuwste bundel van schrijver/dichter Toon Tellegen, getiteld ‘God onder de mensen’. “Soms is hij een kluizenaar, dan weer wordt hij wegens wangedrag aangehouden of is hij een buitengewoon goede balletdanseres”, staat op de achterkant van het boekje.

Het eerste verhaal valt met de deur in huis. “God woonde in een kerk. Naar alle tevredenheid, vond hij. Mensen zochten hem daar op, konden het goed met hem vinden. Maar op een dag veranderde hij van gedachte. Hij hing een briefje op de deur: ‘Ik ben even weg. God.’” Dat is nog eens een prikkelende opening. God is even weg. Net als ooit de boktor in een van de vele bundels dierenverhalen van Tellegen. Wat nu?

De schrijver weet over God net zoveel als ieder ander, noteert hij in het voorwoord. Dat is zo fijn aan God, vindt hij. “Daarom kan ik vrijmoedig over hem schrijven, zonder schroom, zonder wroeging, zonder angst, zonder spot […]” Wat voor God levert dat op? Een tobbende mannelijke God. Zo blijkt het briefje uit het eerste verhaal misleidend. God woont nog altijd in de kerk, maar wil niet dat de mensen dat weten. En zo sterft hij in eenzaamheid. Want, bestaat God nog wel als niemand meer aan hem denkt?

In het volgende verhaal leeft God overigens gewoon weer. Hij blijkt te botsen, te struikelen en – “mijn inschattingsvermogen is mijn zwakke punt” – in de sloot te vallen. Maar hij weigert om zich te laten helpen. Hij wordt zelfs boos als mensen hem hulp aanbieden. God vergist zich geregeld, is slechtziend, hardhorend en gevoelsarm, besluiteloos en inspiratieloos. Hij oogt oud (maar is in één verhaal juist heel jong) en houdt zich doof voor de nood van de wereld. Tot wanhoop van de mensen die hem willen afstoffen.

Het punt van Tellegen lijkt te zijn dat God is zoals hij is en dat de mensen dat weigeren te accepteren. Zij willen een God die er voor hén is en hun alles geeft wat ze van hem vragen. Maar God heeft daar geen boodschap aan. Hij heeft aan zichzelf genoeg. Of toch niet? God luistert aan deuren, glimlacht tegen een man die op hem wil lijken, wil dood (maar dat lukt hem niet), beantwoordt soms gebeden (en krijgt vervolgens spijt). En hij wil een godin.

Miscommunicatie

Het boekje beschrijft één grote miscommunicatie. De mensen begrijpen God niet en houden eigenlijk helemaal niet van hem. God wordt gek van ze. En omgekeerd drijft hij mensen tot wanhoop met wat hij doet of zegt. Het komt zelfs op enig moment tot een soort confrontatie. Mensen verzamelen zich en zeggen tegen God: “Doe niet zo raar, God!” “Wat moet ik dan doen?”, zei God na een korte stilte. “Niet raar!” God heeft geen idee hoe dat moet, maar besluit het te proberen. En dan gaat werkelijk alles mis.

God lijdt onder alle torenhoge verwachtingen. Hij vindt het prima als mensen niet meer in hem geloven en verspreidt het gerucht dat hij helemaal niet bestaat. Wat een rust! God krijgt spijt van zijn schepping (waarom had hij niet gewoon alleen muziek geschapen, vraagt hij zichzelf af), maar kan die niet meer ‘ontscheppen’. Dan vertrekt God en laat de mensen verweesd achter. Ze komen vervolgens op gezette tijden bij elkaar, halen herinneringen op aan hem en lezen elkaar voor uit zijn geschriften.

Weinig subtiel

Het is een donker boekje, met soms een wat weinig subtiele humor. En toch heb ik het met plezier gelezen. Tellegen zet alles wat mensen over God zeggen te weten op zijn kop of maakt het grotesk. Dat werkt heerlijk relativerend en tegelijk, juist door alle absurditeit, stemt het boek tot nadenken. Want wat beweren we eigenlijk allemaal over God? Wat denken we allemaal over hem/haar/het te weten? Wat voor kretologie hebben we allemaal opgetuigd in zijn naam?

Ergens in het boek schrijft God een briefje: “Jullie zijn voortaan van mij af.” Maar hij eist vervolgens nog wel iets: “En dat [is] dat iedereen met onmiddellijke ingang en onvoorwaardelijk van een mens zou gaan houden, nu het geen zin meer [heeft] nog langer van hem, God, te houden.” En dan denk ik onwillekeurig aan de samenvatting van de wet in de evangeliën waar het liefhebben van God gelijk wordt gesteld aan het liefhebben van de naaste, die is zoals wij zijn.

Aries van Meeteren
Voorgander Hardinxveld/Giessendam

 

 

 

 

(Afbeelding: ‘God de Vader’, van Rafaël Gorsen, te zien in de Basiliek H.H. Agatha & Barbara in Oudenbosch)

1 antwoord
  1. Vincent lem
    Vincent lem zegt:

    Dank voor je heldere uitleg en bevinding. Zet me op een prettige manier aan het denken over de inhoud en mogelijke betekenis van de verhaaltjes en mijn eigen houding in mijn manier van geloven

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *