Verbeelding in de wereld, verbeelding in de klas

Cultuur, levensbeschouwing en religie in een neoliberale samenleving

Pitch voor de conferentie, Operatie Schone Lei, VDLG 9 maart 2017 door Laurens ten Kate

Sinds de paarse kabinetten van de jaren ‘90 van de vorige eeuw is er volgens velen een neoliberale wending opgetreden in de politiek van de westerse wereld. Sommigen spreken zelfs over een neoliberale revolutie, anderen wijzen erop dat deze verandering haar wortels al heeft in de bezuinigingspolitiek van de jaren 80, waarvan het Thatcherisme in Engeland het meest radicale voorbeeld is.

Hoe dit ook zij, de verzorgingsstaat wordt teruggedrongen, en de overheid ziet haar eigen rol steeds minimaler. Ze trekt zich terug uit de publieke sector, die meer en meer wordt toevertrouwd aan de markt.

Wel, die markt heeft natuurlijk veel welvaart gebracht, zij het lang niet aan iedere burger. In elk geval is het aantrekkelijke aan een marktlogica dat er mogelijkheden voor elk individu geschapen worden om succesvol te worden.

Nu, in 2017, verheffen zich meer en meer stemmen die de grenzen van deze wending naar neoliberalisme aanwijzen: mijn collega aan de Universiteit voor Humanistiek hier in Utrecht, de sociaal-wetenschapper Evelien Tonkens, of politicus Jesse Klaver in zijn boek van een paar jaar geleden, De mythe van het economisme, of filosoof en voormalig ‘denker des vaderlands’ Hans Achterhuis in zijn wat langer geleden verschenen boek De utopie van de vrije markt, zij allen betwisten de vanzelfsprekendheid van de harmonie tussen een leefbare samenleving en vermarkting. De markt creëert winnaars en verliezers, hij staat of valt met competitie; het is echter de vraag, stellen deze critici, of bijvoorbeeld de zorgsector, het onderwijs of de wetenschap wel gebaat zijn bij competitie.

Kern

Dat brengt me bij de kern van deze pitch. Een neoliberale wereld confronteert degenen in de samenleving die werkzaam zijn op het terrein van levensbeschouwing, religie, cultuur en kunst met een overheidsbeleid dat de dimensie van het levensbeschouwelijke en van het ‘geestelijke’ juist zo veel mogelijk buiten de publieke sector wil weren. Theologen, filosofen, andere geesteswetenschappers op de universiteiten – ik hoor daar ook toe – merken dat maar al te zeer. Maar ook schrijvers en kunstenaars, en leraren levensbeschouwing en godsdienst voelen deze ontwikkeling aan den lijve.

Cultuur, kunst, religie, levensbeschouwing, het zijn voor een neoliberale politiek zaken die eerder tot de privésfeer behoren. Ze worden gereduceerd tot persoonlijke keuzes van individuen, die voor het maatschappelijk leven niet relevant zijn. Maatschappelijk gezien zijn we allen ondernemers van ons eigen bestaan, en zijn we in principe ook allemaal gelijk. Onderscheidingen tussen levensbeschouwelijke en culturele tradities zijn dan uiteindelijk slechts hinderlijk: het zijn ouderwetse hindernissen voor de vrije communicatie op de vrije markt. En áls je dan zo nodig aan religie en levensbeschouwing, aan cultuur wilt doen, zorg dan zelf dat er een ‘markt’ voor is! Daar gaat de overheid niet over.

Traditie

De verregaande vermarkting van het maatschappelijk zet de betekenis van religie en levensbeschouwing, of anders gezegd, van tradities waaruit mensen putten, dus onder druk. Tradities waarin mensen wortelen en die ze tegelijkertijd transformeren, herscheppen. Die bijzondere dynamiek verdwijnt in een neoliberale wereld uit beeld, terwijl hij juist zo wezenlijk is voor de complexe, globaliserende wereld waarin we leven. Mensen zijn zinzoekers, de zin van het leven is niet meer een gegeven dat ons van buiten – door God, de kerk, de ideologie, de zuil etc. – wordt aangereikt. We moeten die zin zelf scheppen, verbeelden, telkens opnieuw en anders. Dat kunnen we alleen maar door te vertrekken van wat aan ons is overgeleverd (traditie betekent letterlijk overlevering, doorgeven), om dat vervolgens te herformuleren, te herscheppen.

Dat spel met de zin van ons leven kan alleen maar slagen als de culturele en levensbeschouwelijke bagage die we mee hebben gekregen – van onze ouders, van een inspirerende docent, van ons eerste vriendje, van die reis door Zuid-Amerika – als die bagage haar plaats krijgt in de publieke ruimte. Als dat niet meer gebeurt, dan is het gevolg ontworteling, zoals de Franse socioloog Olivier Roy messcherp heeft geanalyseerd. De neoliberale privatisering van cultuur leidt wat hij een ‘heilige onwetendheid’ noemt, die je tegenwoordig tegenkomt bij radicaliserende moslimjongeren, die zomaar hun eigen hotchpotch van Korancitaten samenstellen om er hun jihad mee te rechtvaardigen. Deze jongeren, stelt Roy, vechten tegen de westerse wereld, maar ze zijn er tegelijkertijd het product van: het product van de neoliberale verwaarlozing van cultuur. Ik vind dat een boeiende, maar ook schokkende stelling.

Religie, levensbeschouwing, cultuur, het zijn complexe werelden van beelden, verhalen, rituelen, van claims omtrent zin en onzin van het leven, werelden waarover we niet zomaar beschikken als of het producten zijn die we kopen; het zijn werelden waarin we tijdelijk wonen, die ons tegelijkertijd vertrouwd en vreemd zijn. Op onze facebookpagina’s creëren we zulke tijdelijke wereldjes van zin, om ze te delen met vrienden of met de wereld. De games die we spelen werken vaak op dezelfde wijze.

Onze levensbeschouwelijke en religieuze achtergrond, de manier waarop die doorwerkt in onze taal en gewoonten, we verwonderen ons er dikwijls over. Misschien is dat wel een goede definitie van religie en levensbeschouwing: dat aan ons wat we het minst kennen, dat aan ons waardoor we gevoed worden en waarover we ons tegelijk verwonderen. Misschien is dat wat de christelijke theoloog Tertullianus al in de derde eeuw van onze jaartelling bedoelde, toen hij het geloof als iets vreemds, ja iets ‘absurds’ afschilderde: ‘Credo quia absurdum’, ik geloof omdat het absurd is…

Verbeelding

Dan gaat het over onze verbeeldingskracht, en wel over de manier waarop we ons die grote, veel te grote wereld verbeelden. Verbeelding betekent: ergens voor even een beetje grip op krijgen. Maar dat speelt in het groot en in het klein: de klas is ook een wereld. Een wereld van tijdelijke verbindingen, die vaak spontaan ontstaan tussen leerlingen: vriendschappen, bondjes, gemeenschappelijke woorden, je op een bepaalde manier kleden, gedeelde passies, gedeelde popsongs, etc. Misschien is de klas wel precies dát: een wereld in het klein, een wereld met haar zin en onzin, die leerlingen zelf scheppen en herscheppen, met elkaar, ieder vanuit een eigen achtergrond, vanuit die bagage waarover ik het net had. Maar dat betekent: misschien is de klas wel veel minder een verzameling van individuen dan we denken.

Misschien leren we de kinderen wel veel te veel om om te gaan met verschillen, met ieders ‘eigenheid’, zoals het dan heet: jij bent moslim, jij bent ongelovig, ieder mag zijn eigen waarheid hebben. De klas is volgens mij meer dan een optelsom van eigenheden aan wie we moeten leren om het met elkaar uit te houden, om ‘vreedzame school’ te zijn, zoals het bekende en populaire programma voor sociale competentie en conflictbeheersing op basisscholen heet. Gaan we voor verschillen, of gaan we voor verbinding? Gaan we voor individualisering? Dat zou nog steeds binnen een neoliberaal discours passen. Of gaan we voor een in de wereld staan die we samen bouwen?

Ik weet het niet, ik ben hier nog aan het zoeken, samen met collega’s, in een project dat we als Universiteit voor Humanistiek samen met de Marnix Academie Utrecht en de IPABO Amsterdam aan het uitvoeren zijn. ‘De wereld scheppen in de klas’ is de naam van dat programma. Je zult er nog meer van horen.

Tot slot

Tot slot. Docenten levensbeschouwing en godsdienst, haken in op de spanning tussen vreemdheid en vertrouwdheid die eigen is aan religie en levensbeschouwing, en proberen mensen weerbaar te maken in het vinden van een balans tussen beide.

Dat is een zeer belangrijke maatschappelijke taak, en mag nooit worden geprivatiseerd of vermarkt. Ik roep de Nederlandse overheid ook en juist na de verkiezingen van 15 maart op om structureel en diepgaand te investeren in die taak. En dat betekent: veel minder markt, minder rendementsdenken, minder meet- en controlemechanismen in het onderwijs, en meer, veel meer aandacht voor wat onmetelijk belangrijk is: de levensvragen van jonge mensen.

 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.